Krom en recht

Op zoek naar een plaatje bij het thema “Kromme stokken en rechte slagen op Gods weg met Jozef” (Genesis 45:7-8 en Genesis 50:20-21) vond ik niets. Daarom zelf maar iets gefabriceerd. Wie weet kunnen anderen het ook gebruiken 😉

krom-en-recht

Crooked sticks and straight lines

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wat doe je, als God dichtbij komt? Of: Waarom Jozef Maria toch niet verstoot

“De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’ Dit alles is geschied opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘De maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven,’ wat in onze taal betekent ‘God met ons’. Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar bij zich als zijn vrouw, maar hij had geen gemeenschap met haar voordat ze haar zoon gebaard had. En hij gaf hem de naam Jezus.” Matteüs 1:18-25

Waarom Jozef bij Maria weg wil? Meestal denken we dat dat was omdat Maria zwanger bleek te zijn zonder dat Jozef ervan wist. Ze was vreemd gegaan, ontrouw geweest – wat een schande! Het is alleen de vraag of we dan wel goed luisteren naar wat Matteüs zegt. Hij vertelt ons namelijk niet maar dat Maria zwanger bleek te zijn, maar, heel letterlijk vertaald, dat zij zwanger bevonden werd van de heilige Geest. Jozef en anderen die serieus naar Maria keken en luisterden, konden haar op geen enkele manier losbandigheid verwijten. Ze moesten wel tot de conclusie komen dat God zelf op wonderlijke manier bezig was in de zwangerschap van Maria. Jozef ziet zich dus niet geconfronteerd met een ontrouwe echtgenote, hij ontdekt dat God met Maria bezig is, het kind dat zij verwacht is uit de heilige Geest… Naar elke andere rivaal zou Jozef gezegd hebben: “Afblijven! Ze is van mij!” En als Maria maar naar een ander zou kijken, zou het klinken “Ho, jij hoort bij mij!” Maar wat moet je, als die ander de heilige Geest blijkt te zijn?

Matteüs vertelt ons vervolgens nadrukkelijk dat Jozef een rechtschapen mens was. Een man dus bij wie je zijn ontzag en eerbied voor God concreet zag worden in de manier waarop hij leefde en met anderen omging. Wat doet Jozef, nu God zo dichtbij komt, nu God zijn huwelijk binnenbreekt? Jozef beseft: hier moet ik plaats maken. Jozef is bang om bij Maria te blijven én omdat God te groot is voor hem, én omdat hij te klein is voor God. Maria wordt naar God toe getrokken en dus moet Jozef loslaten. Alleen, hoe moet Jozef dat doen zonder Maria in opspraak te brengen? Als hij publiekelijk van haar scheidt, omdat zij niet zwanger is van hem, dan doet hij niet alleen Maria onrecht, maar dan noemt hij het wonderlijke werk van Gods Geest impliciet overspel, zondig. Hoe zou hij zulke woorden gebruiken tegen God? Vandaar het besluit om in het geheim, in stilte te scheiden. Jozef trekt zich terug, hij zou het heilige wat er gebeurt alleen maar ontheiligen…

Toch blijft Jozef. In een droom verschijnt hem een engel die zegt: “Wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest.” Dat “want” is eigenlijk heel apart. Je zou denken dat Jozef niet bang hoeft te zijn “ook al” is het kind verwekt door de heilige Geest. Maar de engel zegt heel duidelijk “want”. Juist dat wat Jozef ertoe brengt om weg te willen, om ruimte te maken, wordt door de engel als argument gebruikt om Jozef te laten blijven. De engel legt daarbij alle nadruk op het feit dat de heilige Geest hier werkzaam is. Ofwel: zou de Geest iets doen wat tegen Gods wil is, zou de Geest overspel plegen – en dus Jozef brengen tot een scheiding? Natuurlijk niet! Jozef moet blijven en de Geest volgen, ook al gaat die onbegrepen w04advientoa4egen! Daar moeten we goed op letten: als God dichtbij komt, dan moeten we ons niet verbazen als het ons teveel is, als we er niet bij kunnen, als we het niet vatten kunnen. Dat is eigenlijk niet meer dan logisch!

Maar dat is niet het enige wat de engel tegen Jozef zegt om hem te laten blijven. Jozef hoeft niet bang te zijn, nu God zo dichtbij komt, nu God door zijn Geest op een wonderlijke manier een kind toevoegt aan Jozefs stamboom. Waarom niet? Nu, Jozef, hier aangesproken als zoon van David, heeft als taak Maria’s kind zijn stamboom, zijn familie, de werkelijkheid van zijn leven binnen te halen, door hem een naam te geven. Hij moet Hem Jezus noemen. Jezus, wat betekent: de Heer redt! Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden. De profetie van Jesaja over Immanuël, God met ons, wordt werkelijkheid. Als je naar Jozef kijkt, als je naar Jozefs stamboom kijkt, als je naar Jozefs volk kijkt, als je naar ons mensen kijkt, is het onmogelijk. Als God dichtbij komt, dan kun je maar beter afstand nemen. Wie kan voor God bestaan? Maar God komt met vergeving en dat maakt alles anders.

Wat doe je, als God dichtbij komt? Jozef en wij moeten leren: duw God niet van je af, deins niet terug voor de Heer, maar laat Hem in je leven toe. Hij komt met redding, met genade. Hij komt met Jezus, of beter: Hij komt in Jezus. En als je dat nieuws in je leven hoorde en eraan toegaf, wees dan een engel voor de mensen om je heen, laat zien in woorden en daden wat de aanwezigheid van God in je leven uitwerkt. En sta verwonderd: het werd Kerst, Jezus werd geboren, God kwam dichtbij. Hoe is het in de wereld mogelijk!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vragen bij de leerdienst

Als psection_376x160_kerkraam-300x128astorale raad van de Barnabaskerk gaan wij op onze volgende vergadering in gesprek over de leerdienst. Wij volgen de traditie van gereformeerde kerken in Nederland om in de tweede zondagse kerkdienst uitleg te geven over de inhoud van wat we geloven. Gewoonlijk gebruiken we daarbij de onderwerpen die aangegeven worden door de Heidelbergse Catechismus. We zijn niet ontevreden over de opkomst in onze leerdiensten, ook al zijn er duidelijk minder kerkgangers dan in de ochtenddiensten. Toch is het goed om bij tijden je tradities te bevragen en daar met elkaar over door te spreken. Om het gesprek in de raad van dienst te zijn heb ik op verzoek een vijftal vragen opgesteld.

  1. Wat willen we bereiken met de leerdienst? Lukt dat?
  2. Wat is de doelgroep bij de leerdienst? Wordt die groep bereikt?
  3. Welke onderwerpen horen thuis in een leerdienst en waarom?
  4. Wat zijn de verschillen en wat de overeenkomsten tussen een preek, een leerpreek en een lezing?
  5. Is het onderscheid tussen de ochtenddienst en de leerdienst in de middag duidelijk genoeg en hoe zou dit verbeterd kunnen worden?

Voel je vrij om je mening te geven. Wie weet hoe zinvol input van buiten is voor ons gesprek als pastorale raad!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het zou wel eens een bijzonder seizoen kunnen worden

In een wereld waarin mensen door oorlog en geweld gedwongen huis en haard verlaten om hun toevlucht elders te zoeken, starten wij een nieuw kerkelijke seizoen op. Het heeft iets vervreemdends. Aan de ene kant gaat het gewone leven door, aan de andere kant worden er heel lastige vragen aan ons gewone leven gesteld. Misschien zouden we het liefst maar gewoon hard aan het werk gaan. Het is echter de vraag of dat kan, of niet juist nu ook aan de kerk de vraag gesteld wordt, wat deze vluchtelingenstromen ons te zeggen hebben. Is het een bedreiging voor het evangelie – een groot deel van de vluchtelingen, zeker uit het Midden-Oosten, is moslim – of juist een kans? Sommigen stelden diezelfde vraag in de tijd van de komst van islamitische gastarbeiders uit met name Turkijke en Marokko, maar de kerk wist er niet goed raad mee. Wat doen wij nu? Trekken we ons weer terug in de drukte en de verantwoordelijkheid van het in stand houden van de kerk, of is de ontstane ruimte voor multiculturele gemeentestichtingsprojecten als de verscheidene ICFs een bemoedigend teken dat de grond rijp is, dat vluchtelingen en migranten welkom zijn in de kerk? Gaat angst ons overheersen, of scheppen we moed in het vertrouwen dat de Heer soms op heel wonderlijke manier zijn kerk aan het werk zet?

Ik zeg maar gelijk eerlijk: het is makkelijk zulke vragen te stellen, en eigenlijk ook helemaal niet zo moeilijk om de richting van het juiste antwoord te duiden. Lastig is het om vervolgens daadwerkelijk de handen uit de mouwen te steken. De toestroom is zo overweldigend, waar moet je beginnen? Gastvrij zijn is een opdracht, jawel, maar wat doe je als er tientallen, honderden op je stoep staan? Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer twee overwegingen steeds weer zich opdrignen.

Allereerst moet ik niet vergeten dat ik ten diepste zelf ook een migrant, een vluchteling ben: ik ben op weg uit deze wereld vol ellende naar Gods toekomst van recht en vrede. In die toekomst ben ik nog niet aangekomen. Is mijn angst om de rijkdom en de rust waarin ik leef kwijt te raken niet een teken dat ik mij in slaap heb laten sussen met de gedachte dat mijn vluchtelingenstatus best geriefelijk is? Op deze manier wakker schrikken is geen prettige ervaring, maar het is wel mijn kans om diep tot me door te laten dringen dat ook ik er nog niet ben. Wat ik aan goederen heb ontvangen, schept verplichting om mijn medevluchtelingen te helpen. Want dat doe je toch: je helpt elkaar verder, je reikt je medevluchters toch de hand?

In de tweede plaats is het niet aan mij en aan ons als kerk om de wereldproblematiek op te lossen. Alle goede menselijke ideeën zijn meer dan welkom. Een beetje minder oorlog en geweld maakt de wereld al wat beter uit te houden. Maar alle mensenlijke oplossingen zijn maar lapmiddelen. Ik geloof nu juist dat er een goddelijk plan is om aan alle oorlog en geweld een eind te maken. Dat plan is door mijn Vader in de hemel al in werking gezet. Het is niet zomaar klaar. Het gaat door veel lijden heen. Het gaat door het lijden van zijn Zoon, van Jezus Christus heen. En wat betekent dat voor mij? Voor mij is er de opdracht om trouw te zijn. Trouw in het volgen en dienen van Jezus Christus. Concreet betekent dat in een nieuw seizoen trouw zijn in het hoeden van de kudde en trouw zijn in het zoeken naar verloren schapen. Dat is de manier waarop Gods plan zijn doel zal bereiken. Ik mag aan de slag omdat ik weet van de ontferming van mijn Heer. Zijn ogen staan open voor ieder die hulpeloos niet weet hoe het verder moest. In zijn hart past er altijd nog een bij. Ik bid of die ruimte er ook bij mij mag zijn, voor wie al bij de kudde horen en voor wie verdwaald wellicht door de goede herder naar die kudde geleid worden.

Aan het werk dus. Vol goede moed. Het zou wel eens een bijzonder seizoen kunnen worden.

Geplaatst in Kerk, Mijmeringen, Opinie, Werk | 1 reactie

Te pragmatisch, te opportunistisch, te simplistisch

Het bestuur van de ChristenUnie wil graag dat er binnen de gelederen van de partij doorgesproken wordt over de plaats van de drie Formulieren van Enigheid in de uniefundering, zeg maar de grondslag van de partij. Nu kan het nodig zijn om bij tijden je grondslag tegen het licht te houden en het is te waarderen dat het bestuur oproept tot een open gesprek. Als basis voor dit gesprek heeft het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie een aantal overwegingen in een discussiestuk op een rij gezet. Opvallend is dat het discussiestuk weliswaar alle opties open laat, maar ondertussen heel duidelijk een voorkeur laat blijken voor het weghalen van de Formulieren van Enigheid uit de grondslag.

De argumenten uit het discussiestuk voor deze voorkeur en andere die via de pers of de sociale media geventileerd worden, overtuigen mij echter niet. Ze zijn me te pragmatisch, te opportunistisch en te simplistisch. Laat me uitleggen waarom.

Te pragmatisch – Het feit dat de belijdenisgeschriften in de politieke praktijk maar weinig aangehaald worden, wil niet zeggen dat ze daarmee net zo goed geschrapt kunnen worden. Ze functioneren wel degelijk als een gedeelde en sturende visie bij het luisteren naar de Bijbel om te zoeken naar Gods wil voor het leven hier en nu. Dat er niet telkens over die achterliggende visie gesproken wordt, is niet omdat ze er niet toe doet, maar omdat ze binnen de ChristenUnie gedeeld wordt. Die gereformeerde leesbril of leestraditie functioneert veel sterker dan velen lijken door te hebben. Haal je het weg, dan zal er na verloop van tijd gemakkelijk minder eensgezindheid zijn in het verstaan van de Schrift.

Te opportunistisch – Het is te begrijpen dat christenen uit de Rooms-Katholieke Kerk en de evangelische en pinksterbeweging moeite hebben met bepaalde passages uit de Formulieren van Enigheid. Goed mogelijk dat dit sommigen tegenhoudt om te stemmen op en zich aan te sluiten bij de ChristenUnie. Het lijkt dan ook een groep die gemakkelijk voor de ChristenUnie te “oogsten” is door de gereformeerd georiënteerde grondslag in te ruilen voor een meer algemeen christelijke. Maar past het binnen de traditie van de ChristenUnie om stemmen- en ledenwinst belangrijker te vinden dan een principiële positiekeuze? Bovendien zou op zijn minst de vraag gesteld kunnen worden of de aantrekkingskracht van de ChristenUnie nu niet juist ligt in de keuze voor het lezen van de Bijbel vanuit de gereformeerde leestraditie. De verwijzing naar de Formulieren van Enigheid hoeft binnen de ChristenUnie als politieke partij niet te fungeren als een kerkelijke waterscheiding, maar als een duidelijke keuzebepaling ten aanzien van de gebruikte leesbril bij de Bijbel.

Te simplistisch – Het voorstel om de grondslag in meer algemeen christelijke termen te verwoorden – de Bijbel als Woord van God, Jezus Christus als Heer, de Apostolische Geloofsbelijdenis –, lijkt een sympathieke oplossing. Het gaat ook helemaal mee in het gevoelen van onze tijd dat we niet te ingewikkeld en te formeel moeten doen. Maar door de kwestie van de grondslag op deze manier op te lossen, maken we ons veel te gemakkelijk af van de vraag met welke leesbril en in welke leestraditie we die algemeen christelijke waarheden verstaan. Wie een beetje thuis is in de discussies over de invloed van leesbrillen waarmee men de Bijbel leest (de hermeneutiek van de Bijbel), weet dat wie zich zijn eigen bril niet heel bewust is, heel gemakklijk óf vooral zijn eigen gevoelens en gedachten in de Bijbel terugleest, óf biblicistisch alles uit de Bijbel letterlijk naar onze tijd overzet. Een wijzing van grondslag naar meer algemeen christelijke termen kan wel, maar we moeten niet net doen alsof er daarmee eigenlijk niets verandert.

Kortom, in een een discussie over de grondslag gaat het over principes en die discussie moet daarom heel principieel gebeuren. In die discussie moeten we oppassen voor argumenten die wel lekker wegbekken, maar uiteindelijk niets zeggen over wat er werkelijk gebeurt als er besloten wordt om de Formulieren van Enigheid niet meer te noemen. En mocht het besluit vallen om de gereformeerde belijdenisgeschriften weg te halen, doe dat dan niet met wollig gepraat dat er uiteindelijk toch niets verandert. Het gaat wel degelijk om een fundamentele wijziging.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Wat moet ik met Jezus?

“Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?”
Marcus 15:12

Soms kun je zo teleurgesteld zijn in Jezus, dat je er wel op je eigen manier probeert uit te komen, zonder Hem. Soms kun je zo geërgerd zijn door de eerste plek die Hij in je leven opeist, dat je Hem diep van binnen zelfs de tweede of de derde plek niet gunt. Soms heb je gewoon geen zin om iets van Jezus te vinden en ga je liever gewoon je eigen gang. Maar Jezus’ woorden en daden en vooral zijn sterven aan het kruis roepen blijvend in onze wereld die vraag van Pilatus wakker: wat moet ik met Jezus?
Wat ik met Jezus moet? Nu, ik moet vertrouwen! Als Jezus’ dood aan het kruis de sleutel is die de deur naar een andere en betere wereld voor mij open doet, waarom zou ik proberen het onmogelijke te doen door die deur zelf te forceren? En ik moet knielen! Waar kan ik het beter hebben dan onder een koning die alles, zelfs zijn leven voor mij over heeft? En ik moet Jezus recht doen! Wat Jezus deed en zei laat geen ruimte voor de gedachte dat het weinig met mij te maken heeft; zou ik Hem dan werkelijk, net als Pilatus, in al mijn neutraliteit onschuldig veroordelen?

Geplaatst in Meditatief | 1 reactie

Werken, weten van de vloek, bidden om de zegen

“En de HERE God nam de mens en plaatste hem de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren.”
Genesis 2:15

“En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt.”
Genesis 3:17

“Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here.”
1 Korintiërs 15:56

 

Er wordt wel gezegd dat we niet leven om te werken, maar werken om te leven. Toch moeten we het aandurven om vanuit Genesis 2:15 een serieus vraagteken bij deze uitspraak zetten. We leven wel degelijk leven om te werken! Wat is namelijk onze opdracht, onze levensbestemming, onze scheppingstaak? Wij leven om de schepping te bewerken en te bewaren.

Voor velen zal dit een verrassende kijk op het leven zijn, voor sommigen misschien zelfs wel verbijsterend. Maar toen God de Tuin van Eden aanlegde en de mens daar binnenbracht, werd de mens niet verwezen naar een lekkere hangmat aan een zonnig strand met palmbomen, kristalhelder water en engelen als bedienden – dat is zo ongeveer wat wij ons bij het paradijs voorstellen. Nee, de mens werd aan het werk gezet.

Natuurlijk, sommigen zullen nu gelijk tegenwerpen dat het werken in die tuin van Eden niet zo moelijk was: de doornen en distels kwamen pas later, na de zondeval. Nu, dat is waar. Waar de zonde aanwezig is, wordt het leven altijd stukken moeilijker. Maar het doet niets af van het feit dat het paradijs geen luilekkerland was, maar een werkomgeving.
 
Werken
De mens krijgt in de Tuin van Eden een heel duidelijke plek en taakomschrijving: hij wordt in dienst genomen om de tuin te bewerken en te bewaren. Dat betekent op zijn minst drie dingen.

Allereerst is die tuin – de schepping, de wereld – niet van onszelf. We worden in dienst genomen om de tuin van een ander te beheren. Dat vraagt van onze kant zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid.

Vervolgens mag en moet de tuin waarin we gezet zijn gebruikt worden: er wordt ontginning en ontplooiing van onze wereld verwacht.

Ten slotte moet dat bewerken en ontplooien gebeuren binnen de randvoorwaarde van het bewaren: het gaat in het bewerken niet om onze productie, om ons levensonderhoud, maar om het in stand houden van de schepping. Daarmee heeft ons werk tot doel om de Schepper te eren: het zou niet zo elegant zijn om zijn werk te vervuilen, laat staan te verwoesten. Maar het is ook eigenbelang: wij zijn onderdeel van de schepping en zijn afhankelijk van wat die schepping ons biedt. Ga je daar op een verkeerde manier mee om, dan krijg je vanzelf te maken met de negatieve gevolgen.

Zoals de Schepper de tuin aanlegde om door mensen bewerkt en bewaard te worden, zo is de mens “aangelegd” om in het bewerken en bewaren van die tuin zijn levensbestemming te vinden. Werken hoort dus bij onze levensroeping. Zeker de laatste eeuwen staan velen vanwege alle specialisaties steeds verder van het boerenleven af. Maar ook voor wie zijn werk heeft in de industrie of in de dienstensector geldt uiteindelijk dezelfde opdracht: leef een leven waarin uitkomt dat je in dienst staat van de Schepper en de schepping.

Weten van de vloek
Nu leven we en doen we ons werk in een wereld die ligt onder de vloek. De ongehoorzaamheid van de mens om af te blijven van waar hij niet aan mocht zitten, de boom van de kennis van goed en kwaad, heeft vreselijke gevolgen. God had nog zo gewaarschuwd: wanneer je daarvan eet zul je de dood niet ontlopen. Nu, de straf is gekomen. Niet alleen ervaren wij het aan den lijve in onze sterfelijkheid – “stof ben je en tot stof zul je terugkeren” –, maar ook de aarde is om de mens vervloekt.

Door die vloek worden we heel concreet getroffen in ons werk. Het wordt een voortdurend gevecht met doornen en distels. Als de mens werkt voor de goede vrucht, blijkt het onkruid sneller te groeien dan het zaad dat hij gezaaid heeft. Wat de vloek voortbrengt overwoekert telkens weer alle goede bedoelingen. De zinloosheid waar de schepping door onze schuld aan onderworpen is, blijkt meer dan opgewassen tegen onze inzet om iets goeds uit de schepping voort te laten komen.

We moeten dus niet raar opkijken als de dingen tegenzitten in het werk. Sterker nog, je kunt erop wachten. De vloek is Gods vinger die ons in allerlei concrete tegenslagen en teleurstellingen wijst op het gegeven dat het niet goed is zoals het gegaan is. De verstoorde verhouding met de Schepper is niet alleen een geestelijke werkelijkheid, maar komt net zo goed uit in alle concrete moeite die wij ervaren in ons werk!

Bidden om de zegen
Hoe moeten we na de zondeval, levend in de tijd van de vloek, aankijken tegen ons werk? Wel, de vanzelfsprekendheid die er was zowel van de goede vrucht als van het werk als dienst aan God mag verdwenen zijn, maar dat wil niet zeggen dat daarmee de oorspronkelijke bedoeling vervallen is. Niet het werk is tot straf geworden. Ook al zal het werk door de vloek zomaar als straf ervaren kunnen worden, het werk zelf is geen vloek.

Wat is de houding die wij aan moeten nemen in de blijvende opdracht om te werken in een wereld waar je de vloek aan den lijve ervaart? Nu, de juiste houding is die van het gebed. Hoe meer je in allerlei grote en kleine dingen die het werken bemoeilijken de vloek naar je toe voelt komen, hoe meer je je handen gaat vouwen om te bidden.

Bidden dat er ondanks het overwoekerende van de vloek toch zoveel zegen zal zijn dat er genoeg over blijft voor ieder.

Bidden om genade, want de vloek confronteert ons met onze menselijke schuld en eigenzinnigheid. In de tegenslagen van elke dag legt God zijn beschuldigene vinger in ons leven en vraagt of we wel erkennen willen dat de fout bij ons zit.

Bidden om daarin onze afhankelijkheid van God te uiten. Wij hebben de neiging om in de confrontatie met de vloek onze mouwen op te stropen en de doorns en distels zelf te lijf te gaan. En hoe vaak lijken we niet opgetogen te constateren dat we met onze moderne machines en giffen de vloek aankunnen! Maar in plaats van onze eigen zelfredzaamheid te benadrukken weet een christen dat het zonder de zegenende aanwezigheid van God zelf een verloren strijd is.

Bidden om werkvreugden in plaats van tegenzin. Het is voor Hem dat we het doen. Ook als dingen tegenzitten, als collega’s het je moeilijk maken, als je ’s morgens het liefst in bed zou blijven liggen, toch gaan omdat je werkt voor de Heer. Hij zorgt ervoordat het niet zinloos is.

Bidden doen we dus niet alleen maar als een bidden om meer – meer opbrengst, meer zegen – maar een bidden of wij Gods zegen mogen ervaren in dat wat wij doen, in het dienen van Hem. Het gaat niet alleen maar om wat wij uiteindelijk overhouden, maar juist om Gods zegen over het werk van onze handen. Die werkende handen zijn als het goed is handen van mensen die weten dat ons werk alleen niet tevergeefs is als het gedaan wordt in afhankelijkheid van de Heer.

We leven om te werken. En in dat werken leven we voor Hem!

Geplaatst in Mijmeringen | Een reactie plaatsen